Prognosetafel AG2026

Kennisbank •

De prognosetafel gebruikt historische sterftedata van Nederland en Europese landen met een vergelijkbare welvaart. Sinds 2020 is in de sterftedata sprake van oversterfte, mede door directe en indirecte gevolgen van de COVID-19 pandemie.

Prognosetafel AG2026

Voor de publicaties van Prognosetafel AG2022 en AG2024 werd besloten om voor de langetermijntrend uit te gaan van de Europese data tot en met 2019 voordat COVID-19 zijn intrede deed. De sterfte die volgde uit deze pre-covidprognose werd gecorrigeerd met een oversterfteterm die de oversterfte in Nederland reflecteerde. Deze oversterfteterm werd separaat gemodelleerd met aannames over het toekomstige verloop van de oversterfte. In het model voor Prognosetafel AG2026 is voor een soortgelijke aanpak gekozen.

Ten aanzien van de Europese data onderliggend aan de pre-covidprognose in Prognosetafel AG2026 is een data-update voor de jaren tot en met 2019 van toepassing, omdat de brondata (Human Mortality Database) met terugwerkende kracht zijn bijgewerkt. Verder is de pre-covidmodelspecificatie op één punt aangepast. Om de aansluiting van de prognose op de sterftewaarnemingen in de jaren voor 2020 te verbeteren, is ervoor gekozen om de methode te wijzigen waarmee het startpunt van de pre covidprognose wordt bepaald. De prognose start nu vanuit sterftekansen direct afgeleid uit de waargenomen sterfte. Deze aanpassing van het startpunt convergeert op termijn naar de pre covidprognose zonder deze aanpassing.

Sinds de laatste publicatie in september 2024 is twee jaar aan nieuwe sterftedata van de Nederlandse bevolking beschikbaar. Daaruit is gebleken dat er nog steeds oversterfte zichtbaar is, meer bij vrouwen dan bij mannen, en dat deze oversterfte hoger is dan twee jaar geleden werd verondersteld. Voor het inschatten van de oversterfte in Prognosetafel AG2026 is, net als in AG2024, gekeken naar de jaren sinds 2022. Dit betekent dat de jaren 2024 en 2025 aan de data zijn toegevoegd. Daarnaast worden in Prognosetafel AG2026 de oversterftetermen op alle leeftijden toegepast, waar dit in AG2024 alleen voor leeftijden hoger dan 55 jaar het geval was. Deze aanpassing doet recht aan geobserveerde oversterfte voor lagere leeftijden.

In AG2024 werd verondersteld dat oversterfte met ongeveer 25% per jaar zou afnemen. Door de actuele sterfteontwikkelingen gecombineerd met een evaluatie van verschillende scenario’s heeft de CSO besloten om de toekomstige ontwikkeling van oversterfte aan te passen. In tegenstelling tot vorige publicaties, waar werd verondersteld dat de oversterfte op termijn helemaal uitdooft, is in Prognosetafel AG2026 verondersteld dat 25% van de oversterfte blijvend is en dat het bovendien langere tijd duurt voor dit niveau is bereikt door de uitloopfactor van de oversterfte te verlagen van 25% naar 5%.

Deze wijzigingen hebben zowel effect op sterftekansen op korte termijn als de ontwikkeling van de levensverwachtingen op de (middel)lange termijn. De levensverwachting stijgt nog steeds, maar minder hard dan in AG2024 werd verwacht. Als we de prognose van AG2024 vergelijken met AG2026 dan daalt de cohortlevens-verwachting bij geboorte in 2027 met ongeveer 4 maanden voor zowel mannen als vrouwen. De cohortlevensverwachting op leeftijd 65 daalt bij mannen en vrouwen met respectievelijk 3 maanden en 7 maanden. Door de nieuwe prognosetafel daalt een gemiddelde inkoopfactor voor ouderdoms- en partnerpensioen rond de pensioenleeftijd met ongeveer 1,0% voor mannen en 1,5% voor vrouwen. De voorziening van een gemiddelde pensioenportefeuille daalt met ongeveer 0,9% voor mannen en 1,4% voor vrouwen.

Over de auteur

Koninklijk Actuarieel Genootschap

Het Koninklijk Actuarieel Genootschap is de Nederlandse beroepsvereniging voor actuariële professionals.